Steen in de vijver - ontstaan van de code

Tekst: Anoek Nuyens

Kan het ook anders? Het was een opmerkelijke bijeenkomst in het Veem House for Performance op 13 september 2015 in Amsterdam. Uit België, Duitsland en Nederland hadden zich ongeveer twintig kunstenaars verzameld om zich te buigen over die vraag.

Na de economische crisis, de grootschalige bezuinigingen op de kunst- en cultuursector, het groeiende verzet tegen racisme en het ene na het andere alarmerende rapport over klimaatverandering, leefde een sterk besef dat het anders moest. Het boek Kapitaal in de 21ste eeuw van Thomas Piketty bevestigde daarbij ook nog eens de groeiende ongelijkheid in de 21ste eeuw en was in progressieve kringen aanleiding om na te denken of op te roepen tot nieuwe verbeeldingen en radicale voorstellen.

De jaren ervoor hadden we ons tegen wil en dank neergelegd bij de veelzeggende uitspraak van Fredric Jameson dat het makkelijker is om je het einde van de wereld voor te stellen dan het einde van kapitalisme. Maar er was iets gedraaid. Iets opengebroken. De economische crisis had structurele weeffouten in het systeem blootgelegd. We wisten het altijd al, maar nu spatte het in ons gezicht uit elkaar. We transformeerden van TINA (There is No Alternative) naar TAMARA (There Are Many And Real Alternatives). Vanuit dat nieuwe besef ontstond het Transitiebureau, een artistiek-academische denktank van jonge podiumkunstenaars en beleidsmakers.

En we waren zeker niet de enigen.

Overal in Europese kunstsectoren doken zelf opgerichte denktanks en grassroots bewegingen op. In België werd bijvoorbeeld SOTA (State of the Arts) opgericht door podiumkunstenaars uit Brussel die het Belgische kunstenveld probeerden te hervormen. In Duitsland was er Koalition der Freien Szene die zich specifiek richtte op het verbeteren van arbeidsomstandigheden voor freelance kunstenaars. En in Nederland ontstond, naast het Transitiebureau, Platform BK vanuit de beeldende kunst.

Zeggen hoe het wel moet, zonder in uitgekauwde clichés of praktische bezwaren te vervallen, is veel ingewikkelder.

Hoe het wel moet
Samen verzamelden we ons op die bewuste dag in Amsterdam. Voor de lunch zouden we elkaar informeren over de misstanden, de dilemma’s en thema’s waar we ons zorgen over maakten. Na de lunch zouden we gezamenlijk brainstormen over hoe het beter kon en elkaar met concrete voorstellen en radicale verbeeldingen bestoken.
Dat eerste deel was aanstekelijk en optimistisch. Het voelde een beetje als een blind date die heel goed uitpakt. We voelden verwantschap en aantrekkingskracht zonder dat we elkaar kenden. Door het Europese karakter van deze ontmoeting werd ons gevoel versterkt dat we nationalistische en lokale belangen overstegen.
Maar toen we onze soep op hadden, voelde iedereen wat er wel vaker gebeurt op dit soort bijeenkomsten. Want zeggen wat er mis is, is niet zo moeilijk. Zeggen hoe het wel moet, zonder in uitgekauwde clichés of praktische bezwaren te vervallen, is veel ingewikkelder.

Wat volgde was een onsamenhangende stroom aan woorden, pogingen om dingen bij elkaar te brengen en stamelende statements die zo doorspekt waren van theoretische begrippen dat iedereen zat te knikken, maar niemand precies begreep waar het over ging. De dag leek, met andere woorden, in het water te vallen. De koffie was inmiddels koud en wat overbleef was een groepje kunstenaars in een theaterzaal steeds verder verwijderd van de werkelijkheid.
Totdat een van de leden van SOTA ineens dat ene woord liet vallen. Of eigenlijk waren het er drie: Fair Practice Label. Ze hadden het pas net bedacht en maakten de vergelijking met de voedselindustrie. Maar waar het daar vaak maar om één aspect gaat–de verpakking, een eerlijk loon voor boeren of biologische teelt–was het in dit plan de bedoeling om de hele structuur van een organisatie te reorganiseren en ‘fair’ maken. Dus niet alleen vegetarisch eten vanuit het idee van duurzaamheid, maar ook een inclusief en divers beleid voeren en vanuit solidariteit nadenken over de precaire positie van freelancers ten opzichte van mensen in loondienst.

Na de bezuinigingen uit 2012 was ‘meer voor minder’ het credo geworden.

Enthousiasme en verzet
Blij en geïnspireerd gingen we naar huis. Er lag een idee op tafel. Een plan dat uitvoerbaar was en de potentie had om het systeem van binnenuit te veranderen. Maar hoe doe je dat? En waar begin je? Als Transitiebureau besloten we publieke bijeenkomsten te organiseren waar we verder brainstormden over het idee, zowel nationaal als internationaal. Tegelijkertijd werd Anne Breure, lid van het Transitiebureau, in het bestuur van Kunsten ’92 gevraagd en zo kwam het idee ook daar ter sprake en begon het beleidsmatig te leven.

Ondertussen verscheen er een rapport van de Sociaal Economische Raad waar het schrijnende beeld uit naar voren kwam dat kunstenaars stelselmatig onderbetaald worden. Na de bezuinigingen uit 2012 was ‘meer voor minder’ het credo geworden. En de kunstenaar, vaak zonder vast contract, betaalde de rekening. De druk om hervorming groeide. Er ontstonden initiatieven zoals de Arbeidsmarktagenda.

Want als we iets moeten meenemen uit dat zaaltje waar de code ontstond, is het wel het besef dat alles met elkaar verbonden is.

De interesse en vooral het enthousiasme voor het label, dat inmiddels een code was geworden, bleef groeien. In de repetitiestudio, aan beleidstafels en in de politiek: dwars door al deze vaak afzonderlijke werelden begon de code een eigen leven te leiden. Voordat er überhaupt een website was, riepen wethouders al dat ze de code wilden invoeren. Iedereen was blij om met de code de aanhoudende en diepgevoelde problemen aan te pakken.

Het klinkt allemaal bijna te mooi om waar te zijn, maar niet iedereen was enthousiast. Nu het idee steeds serieuzer werd en er werd gefluisterd dat de minister het toepassen van de code als subsidie-eis wilde instellen, voelden vooral grote instituten de druk toenemen. Tuurlijk wilden ze de code omarmen en fair practice bedrijven. Maar wie zou het gaan betalen? De politiek? De kunstenaars? Zijzelf? En hoe dan?
Anne Breure voelde die druk zelf ook toen ze als directeur van het Veem House for Performance ondergefinancierd werd maar wel het beloofde programma moest leveren. Het Veem had–net als vele anderen in de sector–in de voorgaande jaren immers aangetoond dat het ook met minder middelen prima uit de voeten kon. Aangezien Breure maar een derde van het benodigde geld kreeg, besloot ze het huis in plaats van het hele jaar maar honderd dagen te openen. Dat was een sterk statement naar de politiek: ineens werd pijnlijk zichtbaar hoe na de bezuinigingen in 2012 veel instellingen gewoon doorgegaan waren, maar met de helft minder geld.De lange termijn
Inmiddels zijn we een aantal jaar verder en is er, voor het eerst sinds die desastreuze bezuinigingen in 2012, extra geld vanuit Den Haag voor kunst en cultuur. Een deel van dat geld is bedoeld om de kunstenaar op een faire manier te kunnen vertrouwensuitbetalen. En dat is reden tot feest. Maar we zijn er nog niet.

Tuurlijk wilden ze de code omarmen en fair practice bedrijven. Maar wie zou het gaan betalen? De politiek? De kunstenaars? Zijzelf? En hoe dan?

Want als we iets moeten meenemen uit dat zaaltje waar de code ontstond, is het wel het besef dat alles met elkaar verbonden is. En dat je het huidige freelance-probleem niet oplost met een beetje extra geld voor freelancers. Dat je de klimaatcrisis niet gaat oplossen door vervuilende theaterlampen door ledlampen te vervangen. Dat we diversiteit niet gaan oplossen met een extra subsidie. Want we weten inmiddels allemaal wat er dan gebeurt: het ziet er op de korte termijn leuk uit, maar op de lange termijn los je niets op en laat je de echte problemen liggen voor de toekomstige generaties kunstenaars en kunstmakers.

De bijeenkomst ‘United we Stand’ werd op 13 september 2015 door Het Transitiebureau georganiseerd in het kader van het verdiepingsprogramma Nieuwe Grond van het Nederlands Theater Festival.

Dit artikel is gepubliceerd in 'Navigeren met de Fair Practice Code', 2021.

Direct aan de slag met de Fair Practice Code

Begin vandaag met onze tools of workshops